Freya Van den Bossche: ‘Ook jongvolwassenen in nood hebben recht op hulp’

Maandag 13 maart 2017 — Vlaams parlementslid Freya Van den Bossche vindt dat alle jongeren die de jeugdzorg op hun 18de verlaten een vorm van begeleiding moeten blijven krijgen. Afhankelijk van hun noden kan die meer of minder intensief zijn. “Zoiets mag niet afhangen van de beslissing van een rondetafel of van het beschikbare budget”, zo reageert Van den Bossche op de uitgelekte nota over de hulp aan jongvolwassenen. “Ik ben blij dat er, zes maanden na het tragische overlijden van de negentienjarige Jordy Brouillard in de Gentse Blaarmeersen, eindelijk actie lijkt te komen. Enkele ideeën in het plan van aanpak dat nu uitlekt zijn zeker nuttig, maar het geheel mist ambitie. Voor mij moet élke jongere die uit de jeugdzorg komt en op eigen benen gaat staan een vorm van begeleiding krijgen. Zonder extra middelen en een echt aanklampend beleid, van op veel jongere leeftijd, zullen er onvermijdelijk nieuwe Jordy’s volgen. Laten we dat alstublieft voorkomen.”

De nota die vandaag is uitgelekt bevat het antwoord dat de Vlaamse overheid voorbereidt, onder meer op vraag van Freya Van den Bossche, op de dood van Jordy. De bedoeling is om kinderen en jongeren die uit de jeugdzorg komen niet aan hun lot over te laten op het moment dat ze 18 worden. “Het is goed dat er eindelijk een plan lijkt aan te komen”, zegt Van den Bossche. “Het is ook goed dat men voorstelt om jongeren vanaf hun 16de een groeiplan op maat aan te bieden, dat hen kan voorbereiden op zelfstandigheid. En het is goed dat er gezegd wordt dat sommige jongeren die de jeugdzorg verlaten ook na hun 18de begeleid kunnen worden.”

“Maar waarom is de ambitie niet groter dan dat?”, vraagt Van den Bossche zich af. “Waarom kan niet elke jongere uit de jeugdzorg een vorm van begeleiding blijven krijgen wanneer hij of zij op eigen benen gaat staan? Dat zou de evidentie zelf moeten zijn. Die begeleiding moet niet voor iedereen even intensief zijn. Afhankelijk van de individuele noden kan de begeleiding intensiever of minder intensief zijn, maar het is onontbeerlijk dat elke jongvolwassene verder wordt opgevolgd. En waarom begint men pas op 16 jaar aan een groeiplan? Om ervoor te zorgen dat jongeren op hun 18de een sociaal netwerk hebben – de zogenaamde ‘context’ waarover men spreekt in het plan – zouden we op 10, 11, 12 jaar moeten beginnen met dergelijke plannen.”

Van den Bossche betreurt ook dat meerdere acties in het plan afhankelijk worden gemaakt van de vraag of er al dan niet geld zal zijn. “Voor mij is het duidelijk: elke jongvolwassene heeft recht op verdere begeleiding, en elke jongvolwassene die nood heeft aan hulp moet die kunnen krijgen. Dat mag niet afhangen van een beslissing die kort voor de 18de verjaardag wordt genomen en al helemaal niet van de vraag of er budget voorhanden is”, besluit Van den Bossche, die minister Vandeurzen oproept om vaart te maken en met werkbare oplossingen te komen in plaats van eindeloos te discussiëren.